Login

CAPTCHA
Deze vraag dient om na te gaan of u een menselijke bezoeker bent teneinde spam inzendingen te vermijden.
3 + 5 =
Solve this simple math problem and enter the result. E.g. for 1+3, enter 4.

WERKLOOSHEID:ACTIVERING IS OOK UITSLUITING

Leidt activering tot een sluitende of een uitsluitende aanpak? Groen! vraagt duidelijkheid over het stijgend aantal geschorste werklozen.

1. Van schorsing wegens langdurig werkloosheid naar een doorgedreven activeringsbeleid.

België kent in principe een systeem waarbij de werkloosheidsduur onbeperkt is, eens een werkloze voldoende rechten heeft opgebouwd en mits hij of zij beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. In de praktijk konden werklozen echter worden geschorst wanneer ze abnormaal langdurig werkloos waren. De schorsingsprocedure volgens artikelen 80-88 uit het KB van 25 november 1991 was vooral een administratieve procedure: iedere werkloze die anderhalve keer de gemiddelde
werkloosheidsduur van iemand met hetzelfde geslacht en uit dezelfde leeftijdscategorie binnen de regio overschreed, kwam in aanmerking voor schorsing wegens langdurige werkloosheid. Om billijkheidsredenen was de schorsing wegens langdurige werkloosheid enkel van toepassing op samenwonende werklozen’.

Deze administratieve aanpak maakte plaats voor een actiever activeringsbeleid. De VDAB, maar ook naar Brusselse en Waalse tegenhangers, leveren samen met de RVA steeds meer inspanningen om mensen te activeren. Onder impuls van de Europese werkgelegenheidsdoelstellingen wil men alle werklozen aanspreken en naar opleidingen of jobs leiden voor ze langdurig werkloos worden.

Daartoe werd de afgelopen jaren een gefaseerd activeringsbeleid opgezet. Naast de systematische uitnodigingen zette men ook experimenten op naar specifieke groepen, zoals de aanpak van de jeugdwerkloosheid in Oostende of de aangekondigde huisbezoeken in Antwerpen.

Het nieuwe beleid, gericht op de activering van alle volledig werklozen, valt uiteen in:
· een procedure ‘dispo’, die op federaal vlak door de RVA wordt uitgevoerd
· en een procedure ‘sluitende aanpak’ die door de gewesten, en in Vlaanderen door de VDAB,
wordt uitgevoerd.

Het is de bedoeling dat beide procedures complementair zijn aan elkaar en elkaar aanvullen. De wettelijke basis vormt het “samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de federale staat, de gewesten en gemeenschappen betreffende de actieve opvolging en begeleiding van werkzoekenden”.

Meer werklozen kans geven op een gepaste en kwalitatieve job juichen we alleen maar toe. Tegelijk is de activering een tweesnijdend zwaard. De keerzijde van de medaille is een toenemend aantal schorsingen van werklozen. Hier rijzen stilaan vragen, waarop de bestaande cijfers allesbehalve een antwoord kunnen geven.

2. Hoe intenser de activering, hoe meer schorsingen

Er zijn verschillende redenen en categorieën waarom een werkzoekende een schorsing kan oplopen. De veelheid aan categorieën maakt het overzicht niet eenvoudiger. Wanneer we de cijfers echter samenbrengen, dan blijkt er een stijgende trend uit de cijfergegevens over de laatste jaren van het totale aantal mensen dat door de RVA uitgesloten wordt van een uitkering. Vanaf 2006 stijgen de cijfers plotseling veel sterker. Niet alleen de verwittigingen blijven stijgen, maar de effectieve uitsluitingen stijgen nu ook. De stijging is des te opvallender en des te groter, omdat ze gebeurt in een periode van dalende werkloosheidscijfers.

Cijfergegevens over het aantal jaarlijkse uitsluitingen, België, 2000-2006
Er worden vijf cijfers vermeld: omstandigheden afhankelijk van de eigen wil - Administratieve
sancties - Langdurige werkloosheid (art. 80-88) - Activering - Totaal aantal
uitsluitingen

2005: 19.510     9.364       3.961     5.687     38.522
2006: 21.259     15.510     1.271     13.868    51.908

Focussen we nu specifiek op de schorsingen die het gevolg zijn van het activeringsbeleid. Opvallend hierbij is dat het aandeel van de mensen die geschorst worden vanwege art.70 (dus omdat de werkloze niet aanwezig is tijdens een gesprek) heel hoog ligt (meer dan 2/3e van het totaal aantal schorsingen of uitsluitingen in het kader van de activering). Bijna 10.000 mensen werden om die reden in 2006 geschorst, vooral laaggeschoolden en schoolverlaters. Deze meest
kwetsbare groepen bezitten niet altijd de noodzakelijke administratieve vaardigheden om de procedures te volgen en vallen in dit activeringsbeleid vaak meedogenloos uit de boot.

Voor wie mensen aan werk wil helpen, is het cruciaal om te weten wat het profiel is van de mensen die niet naar zo’n gesprek komen en waarom deze mensen niet komen?

In 2006 hadden 66% van alle gesanctioneerden geen diploma van middelbaar onderwijs.1 Dit cijfer is hoger dan het aandeel laaggeschoolde werklozen in de hele werkloosheid. Hier speelt een (omgekeerd) Mattheüs-effect: wie lager geschoold is wordt sneller geschorst. Dit wijst er op dat een lagere scholing een verhoogde kans met zich meebrengt om een sanctie op te lopen. 30% van de gesanctioneerden heeft enkel een diploma lager onderwijs hebben behaald, en dat 58% van de gesanctioneerden een studiegraad heeft van 2e,3e en 2e graad secundair onderwijs. De zwaksten bezitten minder de noodzakelijke sociale en administratieve vaardigheden om in onze samenleving mee te kunnen, hebben ook minder mogelijkheden om een sanctie te ontlopen, en vallen dus in dit activeringsbeleid meer uit de boot.

Bovendien gaat het in grote mate om schoolverlaters, wat blijkt uit het grote aantal geschorsten dat een aanvraag tot werkloosheidsvergoeding indiende op basis van studies. Jongeren die een problematische cyclus achter de rug hebben in het onderwijs met opeenvolgende faalervaringen, hebben een hoger risico op een even problematisch traject op de arbeidsmarkt. In eerste instantie door het niet vinden van een job, en in tweede instantie door een schorsing die hen opgelegd wordt in het kader van het activeringsbeleid.

3. Wat gebeurt er met geactiveerde en geschorste werklozen?

De recente discussie over het Oostendse model heeft duidelijk gemaakt dat de cijfers van de VDAB niet altijd de hele realiteit weergeven. Vele Oostendse jongeren die geschrapt werden uit de statistieken waren helemaal niet aan het werk, zelfs niet in opleiding.

Hoe zit het met de andere VDAB-cijfers? Het aantal werkzoekenden daalt maar betekent dit ook dat al die mensen weer werk hebben gevonden? Hoe lang blijven mensen aan het werk na een activering? En niet in het minst: hoe verlopen de schorsingen en wat gebeurt er met de geschorsten? Een stijgend aantal mensen wordt geschorst. Het niet nakomen van afspraken in de activeringsprocedure weegt steeds zwaarder door. Ondanks de stijgende schorsingen bestaat er
géén recent cijfermateriaal over wat er met de geschorste werklozen gebeurt. Wie zijn ze? Wat brengt hen tot schorsing? Waar zijn deze mensen naartoe?

Meer geschorsten naar het OCMW?

De laatste wetenschappelijke studies dateren van voor de intensivering van het activeringsbeleid. In 2003 maakte het Centrum voor Sociaal Beleid (De Lathouwer e.a., 2003) een evaluatie bekend van het schorsingsbeleid wegens langdurige werkloosheid in 2000. Daaruit bleek dat ruim één op tien van deze geschorsten bij het OCMW moest aankloppen. Ter herinnering: hierbij ging het enkel om samenwonende werklozen, vandaag komen alle werklozen in aanmerking voor een schorsing. Ook de studie van het HIVA (Heylen en Bollens, 2006) heeft betrekking op de periode voor het activeringsbeleid (2002-2003).

Omdat het schorsingsbeleid vandaag niet meer alleen betrekking heeft op schorsing van samenwonende werklozen wegens langdurige werkloosheid, maar op alle werklozen, is de te verwachten impact groter. Alles wijst er op dat vandaag meer tijdelijk en definitief geschorsten naar het OCMW moeten doorstromen. Doordat de sluitende aanpak zich nu tot alle werklozen richt en niet enkel tot samenwonenden zoals bij de schorsingen wegens langdurige werkloosheid) worden nu meer mensen geschorst van wie de werkloosheidsuitkering het enige inkomen was. Dan dreigt de
sluitende aanpak de armoede te vergroten.

Die signalen geven ook verschillende OCMW’s. Bij vele OCMW’s horen we vandaag echo’s van een duidelijke stijging van de instroom van tijdelijke en definitief geschorste werklozen. Precieze cijfers ontbreken echter ook hier.

OCMW’s reageren trouwens erg verschillend op de vraag naar leefloon door geschorste werklozen. Sommige OCMW’s beschouwen de schorsing door de VDAB als het weigeren van een passende dienstbetrekking wat ook de deur sluit voor het leefloon. Andere OCMW’s vertrekken van de maatschappelijke nood en geven wel leefloon aan geschorsten. Weer andere leggen strenge voorwaarden op: een geschorste werkloze moet zijn werkbereidheid bewijzen via inschrijving bij
alle interim-bureaus en door wekelijks minimaal vijf sollicitatiebewijzen binnen te brengen. In vele OCMW’s staat de notie passende dienstbetrekking onder druk, omdat ook de OCMW’s op hun beurt het activeringsbeleid steeds verder verstrengen en ook de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven de notie werkbereidheid restrictiever interpreteren. Maar ook hier ontbreekt ieder precies cijfer.

Meer mensen die zich terugtrekken uit de arbeidsmarkt?

Tegelijk bleek uit vroegere studies dat ruim een kwart van de arbeidsmarkt verdwijnt. Op die manier draagt het schorsingsbeleid bij tot een dalende werkzaamheidsgraad, in plaats van een stijgende in het kader van de Lissabondoelstellingen. De sluitende aanpak sluit hier alleszins niet: mensen stromen weg uit de arbeidsmarkt. Maar ook hier ontbreken recente cijfers over het effect van een meer doorgedreven activering op het terugtrekken uit de arbeidsmarkt.

Hoe duurzaam is een succesvolle activering?

Ten slotte is er de vraag naar de duurzaamheid van tewerkstelling na activering, in een arbeidsmarkt met steeds meer precaire jobs en interim-arbeid. Wanneer het resultaat van een activeringsbeleid is dat laaggeschoolde werkzoekenden van de ene tijdelijke job naar de andere moeten hoppen, met voortdurende periodes van werkloosheid tussen twee jobs in, dan is het hoog tijd voor een debat over kwaliteit van de arbeid in inkomenszekerheid onderaan de arbeidsmarkt.

4. Besluit

Groen! wil de verborgen zijde van het activeringsbeleid dringend zichtbaar maken. Groen! maakt zich zorgen dat de sluitende aanpak voor de zwakste groepen op de arbeidsmarkt stilaan een uitsluitende aanpak dreigt te worden: sluitend aan de kant van de VDAB, uitsluitend aan de kant van de werkzoekende.

Het actief toeleiden en begeleiden van werkzoekenden naar een opleiding en een job is een goede zaak. Maar de medaille heeft een keerzijde. Het activeringsbeleid maakt slachtoffers: Het aantal schorsingen is sterk gestegen. De uitsluitingen wegens het niet volgen van de activeringsprocedures maken hiervan een groot deel uit (13.868 op 51.908) en treffen sterker de meest kwetsbare groepen: schoolverlaters en laaggeschoolden.

Recente cijfers ontbreken, maar vóór de uitbouw van de sluitende aanpak stroomde één op tien geschorsten door naar het OCMW. Een kwart van alle geschorsten verdween toen uit de arbeidsmarkt en is niet langer beschikbaar voor een job. Doordat de sluitende aanpak zich nu tot alle werklozen richt (en niet enkel tot samenwonenden zoals bij de schorsingen wegens langdurige werkloosheid) worden nu meer mensen geschorst van wie de werkloosheidsuitkering
het enige inkomen was. De signalen uit de OCMW’s en het werkveld doen vermoeden dat het aantal mensen die in armoede vallen na een schorsing stijgt.

Bovendien versterkt het activeringsbeleid een tendens naar meer tijdelijke jobs en interimarbeid, afgewisseld met perioden van werkloosheid voor mensen onderaan de arbeidsmarkt. De verruiming van de activeringsprocedure, de stijgende schorsingscijfers en de signalen uit het werkveld over de doorstroom van geschorsten naar de OCMW’s tonen aan dat het huidige activeringsbeleid niet enkel positieve resultaten kan voorleggen. Steeds sterker wordt ook het
vermoeden dat voor een aantal mensen activering leidt tot armoede, tot een terugtrekking uit de arbeidsmarkt of tot het verlies aan perspectief op een duurzame job. Pervers genoeg ontbreekt het vandaag aan betrouwbaar cijfermateriaal over het effect van activering en schorsing. Daarom vraagt Groen! aan de Vlaamse en de federale overheid om dringend
een kortlopende studie uit te voeren naar de trajecten van geactiveerden en naar wat er gebeurt met het stijgend aantal geschorste werklozen. Op een half jaar moeten we de tendensen in kaart kunnen brengen en een evaluatie van de sterktes en zwaktes van het activeringsbeleid kunnen maken. De alarmsignalen van OCMW’s mogen we niet langer negeren, want anders verwordt de sluitende aanpak tot een uitsluitende aanpak.

Er moet ook duidelijkheid zijn over een eenduidige aanpak van geschorste werklozen door de OCMW’s. Op basis van artikel 1 van de organieke wet van 1976 hebben geschorste werklozen die alleenstaand zijn of een gezin ten laste hebben, recht op maatschappelijke dienstverlening.

Mieke Vogels

Wouter De Vriendt

Gepubliceerd door: 

Tags: