Login

CAPTCHA
Deze vraag dient om na te gaan of u een menselijke bezoeker bent teneinde spam inzendingen te vermijden.
12 + 7 =
Solve this simple math problem and enter the result. E.g. for 1+3, enter 4.

Oorlog, vrede en conflict

Men zegt dat de gevolgen van oorlogen zich generaties lang laten voelen en ik kan dat slechts beamen. Als ik soms wat stilletjes ben, dan heb ik dat van mijn grootvader. Cyriel Plouvier was een zwijgzaam man, maar hij had het dan ook allemaal meegemaakt. Vier lange jaren waren het geweest. Elke dag afgeblaft door Franstalige officieren en telkens weer gestraft omdat de “con paysan flamand” de krankzinnige orders in die hem vreemde taal verkeerd begrepen had. Wist hij veel dat, toen zijn dienstplicht er begin 1914 eindelijk op zat, alles nog moest beginnen. Ploegsteert, ja, zo heette het dorp waar hij de daaropvolgende jaren de gruwel van de loopgraven beleefde. De stank van de rottende lijken van zijn kameraden, de luizen, het beschimmelde voedsel en de diarree… Niets is hem bespaard gebleven.

Of toch, toen hij op een dag, al te ver vooruit geschoven, onder Duits artilleriegeschut een ganse nacht in de modder vastgevroren was, moest ‘s anderendaags “godzijdank” zijn voet niet geamputeerd worden. Men zegt dat het leven van toevalligheden afhangt, en ik kan dat slechts beamen. Als mijn grootvader bij één van de eerste gasaanvallen in grote paniek de laatste druppels urine niet uit zijn nieren had kunnen persen om een natgepiste zakdoek voor zijn mond te houden en zo zijn leven te redden, dan was ik nooit geboren en zat jij, beste lezer, dit artikel nu niet te lezen.

Maar boeren zijn overlevers en Cyriel overleefde de oorlog. Toen hij in juni 1940 samen met mijn vader onkruid aan het wieden was op de akker in Poelkapelle, het dorp waar Louis-Ferdinand Céline 26 jaar eerder gewond geraakt was en oorlogsinvalide bleef voor de rest van zijn leven, toen is er iets in hem geknakt. Zij hoorden in de verte het aanzwellende geluid van Duitse gezangen. Hij liet zijn schoffel vallen en ging het peloton voorbij marcherende soldaten bekijken. Het enige wat hij zei was: “Hebben wij daarvoor vier jaar gevochten” en, zijn zoon verweesd achterlatend, ging hij weg. Vanaf dan was er geen weg meer terug van wat ooit zijn “Voyage au bout de la nuit” geweest was.

Dagenlang sprak hij geen woord meer, maar hij nam de draad toch weer op. Dertien kindermonden moesten gevoed en wat doe je dan. En als ik sinds enige tijd mijn inmiddels stokoude vader met zijn wagen op Allerheiligen naar het kerkhof van Poelkapelle voer, dan wil hij de foto van zijn ouders in zijn handen vasthouden en elk jaar begint hij dan weer te vertellen over zijn vader, mijn grootvader. Maar ik zou het over boeken hebben.

Als het thema van Lezen in de Lente 2014 “oorlog, conflict en vrede” is, dan is dat omdat het Uilekot de gelijkstelling van conflict met oorlog en van vrede met een leven zonder conflicten verwerpt. Spanningen behoren – zoals onderlinge verschillen – tot het leven en het middel om conflicten op een beschaafde en redelijke manier te beslechten, is democratie. Zo vind je het elke maand in onze mosterdpot op de tweede bladzijde van het Uilenbulletijn, en vanuit dit perspectief willen wij het begin van de eerste wereldoorlog herdenken met Lezen in de Lente 2014.

Het is al te gemakkelijk om het gebrek aan democratie als DE oorzaak van de eerste wereldoorlog aan te duiden, maar niemand kan ontkennen dat de vrede in 1918 gepaard ging met de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht, weliswaar enkel voor de mannen. Het ontbreken van het vrouwenstemrecht kan je evenmin als de oorzaak van de tweede wereldoorlog aanduiden, maar met de vrede na het einde van de tweede wereldoorlog werd het vrouwenstemrecht toch maar mooi ingevoerd. Het laatste dat wij willen beweren is dat het niet invoeren van de participatieve democratie waarvoor het Uilekot inmiddels reeds veertig jaar pleit, de oorzaak van een derde wereldoorlog zal worden, maar het is duidelijk dat de huidige parlementaire democratie in de Europese natiestaten op instorten staat. En er is reden tot ongerustheid als je weet dat de defensie-uitgaven vorig jaar 300 miljard dollar hoger waren dan de recorduitgaven tijdens de Koude Oorlog, en dat wij – zoals vóór de eerste wereldoorlog – uit een lange periode komen van euforie over de toenemende globalisering in een zogezegd harmonische wereldorde, gebaseerd op vrijhandel en mensenrechten, terwijl de mensen elke dag meer gaan schuilen in kleinere entiteiten en een strakker nationalisme. In wat volgt zoek ik, met drie auteurs en met het hierboven vermeld idee van conflict in ons achterhoofd, mogelijke antwoorden op de vraag waarom de moderne mens in “wereldoorlogen” wreedheden begaat op een schaal die tot voor kort ongekend was in de wereldgeschiedenis.  

Theodor Adorno is een marxistisch filosoof die vooral gekend is om zijn uitspraak dat men na Auschwitz geen poëzie meer kan schrijven. Zoete versjes, daar verwarmden de kampbeulen zich ’s avonds aan, liefst voorgedragen door Joodse acteurs of kritische intellectuelen die zo enkele dagen uitstel kregen van de gaskamer. Als dichter kan je er alleen het zwijgen nog toe doen, schreef Adorno, maar het belette hem niet om, gevlucht naar Amerika, zijn filosofische ideeën met Max Horkheimer op papier te zetten in het boek “Dialectiek van de Verlichting”.

De auteurs vragen zich af waarom de Verlichting geen humane wereld creëerde maar verviel in barbarij. Het doel van de Verlichting was om via de kritische rede de mens te ontvoogden van de mythe en het geloof, en om met de wetenschap meester te worden van de natuur. Het resultaat is vervreemding in het kapitalistische arbeidsproces, onderwerping aan dictators en de uitverkoop van de cultuur. In de eerste wereldoorlog leverden de wetenschappers het gifgas waarmee de soldaten als ongedierte verdelgd werden. In de gruwelen van de Holocaust raakte de Verlichting zijn onschuld definitief kwijt. De auteurs zien in 1944 geen ontvoogding met de Rede, maar een nieuwe onderwerping aan drie mythen: de nationalistische “Blut und Bodem” ideologie van de nazi’s, de socialistische gelijkheidswaanzin van het stalinisme en de Amerikaanse consumptiedroom van het land van melk en honing.

Samen met de immense productiekracht van de moderne economie zorgt dit voor een destructief potentieel.

Hun scherpe analyse van de Amerikaanse cultuurindustrie op het einde van de tweede wereldoorlog blijft zestig jaar later nog altijd geldig. De mensen zoeken in cultuur amusement om te ontsnappen aan de werkdruk van hun arbeidssituatie, en er nadien weer een tijd tegen te kunnen. Maar terwijl het publiek lacht met Micky Mouse, ramt de totalitaire cultuurindustrie er een conservatieve boodschap van berusting in, en verzoent de mensen met het geweld van de industriële maatschappij. De permanente creatie van nieuwe effecten blijft gebonden aan steeds weer hetzelfde schema dat de macht van het kapitaal vergroot. Een klein aantal cultuurmonopolies stuurt alles in de richting van een uniformiteit en stemt daarbij beeld, woord en muziek steeds meer op elkaar af.

De American dream wordt gecultiveerd en een taai volhoudende kunstenaar kan beloond worden. Maar de vrije markt doet haar werk zo dat alleen enkele uitblinkers die de cultuurindustrie versterken, zich kunnen doorzetten. Voor alle anderen leidt de vrije markt naar de hongerdood. Hun analyse kunnen wij zo toepassen op de relatie van de Vlaamse schrijvers in hun verhouding met uitgeverijen, de distributiesector en de media in onze tijd.

Terwijl Marx op een these steeds een antithese liet volgen die in een synthese uitmondde en vooruitgang inhield, is de negatieve dialectiek van Horkheimer en Adorno gitzwart. Op de puinhopen van de Verlichting – de antithese – kan je geen goed leven meer bouwen. Je begrijp hen als je bedenkt hoeveel van hun Joodse vrienden en familieleden stierven in Nazi-Duitsland, en hoe marginaal de bekende filosofen in Amerika geworden waren. Maar wordt  de “rede” die zich beperkt tot de kritische reflectie over een hopeloos vervallen wereld, niet zeer machteloos? Wij willen ons met Lezen in de Lente engageren en kunstenaars een alternatief forum aanbieden om vanuit ons thema creatief mee te werken aan een maatschappelijk alternatief voor de cultuurindustrie.

Wij kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat Horkheimer en Adorno dromen van een soort virtuele “wereldvrede” zonder enig conflict, van een soort mythe om het in hun eigen woorden te zeggen.

Carl Schmitt bekritiseerde in zijn vroege werk de Duitse romantische kunst die de wereld slechts als een aanleiding zag om hem te bewerken in een louter esthetische constructie. De romantische dichter beschrijft enkel zijn eigen mooie “private” wereld, terwijl Schmitt het over het “publieke” domein wilde hebben. Zijn boek “Het begrip politiek” (1932), opgedragen ter nagedachtenis van zijn in de eerste wereldoorlog gestorven vriend August Schaetz, onderzoekt vanuit de kwetsbaarheid van de politieke orde de uiterste “mogelijkheid van het conflict”. De bestaansvoorwaarde van politiek, zo zegt Schmitt, is de tegenstelling “vriend-vijand”, en men kan niet aan politiek doen zonder vijanden te hebben. Bij het begrip “vijand” hoort de eventualiteit van de strijd, en dus ook de “reële mogelijkheid van oorlog”.

Oorlog is immers de uiterste consequentie van de gewapende strijd tussen georganiseerde politieke eenheden. Schmitt werd voor zijn stellingen verguisd, maar het is goed om voor ogen te houden dat hij de bekende uitspraak van Von Clausewitz (von Kriege, 1834) dat de “oorlog niets anders is dan de voortzetting van het politieke verkeer met toevoeging van andere middelen” (pag. 151) verwerpt. Von Clausewitz doet de militairen teveel eer aan, aldus Schmitt, want een goede politieker vermijdt de oorlog, en dat is juist het omgekeerde dan de politiek met andere middelen voortzetten. Oorlog is geen noodzaak die volgt uit het politiek handelen, maar een mogelijkheid die de goede politieker vermijdt. En de Duitse natiestaat bracht na de bloedige godsdienstoorlogen van de 16e-17e eeuw wel vrede, maar was geen “politieke” staat. Het was een autoritaire staat die absolute gehoorzaamheid van zijn burgers had geëist, en aan de keizer het monopolie van de politieke beslissingen gegeven. En de keizer had – niet gewend met conflicten om te gaan – de “reële mogelijkheid van oorlog” in 1914 onvoldoende voor ogen gehouden toen hij Duitsland in de eerste wereldoorlog stortte. Voor Schmitt was de gruwel van de eerste wereldoorlog een gevolg van het gebrek aan politiek handelen in Duitsland, en geen logisch gevolg zijn van eerdere politieke beslissingen van de keizer zoals von Clausewitz ten onrechte zou gesteld hebben.

Schmitt zag in het verslagen Duitsland dagdagelijks dat het Verdrag van Versailles in 1919 niet leidde tot de “wereldvrede” waarvan de geallieerde pacifisten na de eerste wereldoorlog droomden, maar tot bittere armoede en grote onvrede. Hij noemde het wereldburgerschap, gebaseerd op de universele mensenrechten, een liberale fictie. De Volkerenbond wilde zoals de liberalen het politieke handelen vervangen door economische concurrentie en een ethische discussie over mensenrechten. Schmitt voorspelde dat deze wereldorde nieuw geweld zou ontketenen. De universele mens die spreekt “in naam van de mensheid”, ziet alleen vrienden waarmee je “win-win“ situaties creëert. In zijn gedepolitiseerde wereld kan de mensenvriend zich geen vijand meer voorstellen, maar juist hierdoor zal de vijand niet binnen zijn “politieke” grenzen teruggewezen worden, en de volgende stap wordt onvermijdelijk het ontketenen van een onbeheersbare oorlog tegen de “onmensen” die zich buiten de mensheid geplaatst hebben.

De gedachten over conflict van Schmitt blijven actueel, ook al gaat de auteur soms de mist in. Schmitt bespreekt het conflict altijd in relatie tot de rechtsstaat en ziet het conflict tussen “arbeid” en “kapitaal” binnen de staat niet. Het maakte hem politiek stekeblind en in zijn hoop om het Duitse volk aan de macht te brengen, koos hij de verkeerde vrienden. Hij werd vanaf 1933 redacteur van de nationaal-socialisten tot de SS de kritische redacteur in 1936 uit alle functies ontsloeg.

Schmitt beweerde altijd dat hij van de nazi-bacil gedronken heeft, maar niet besmet geworden is, maar het blijft een feit dat de nazi’s een onbeheersbare oorlog tegen de onmensen ontketend hebben, en Schmitt droeg indirect zijn steentje bij met zijn redactiewerk. Zijn kritiek op de liberale wereldorde blijft wel geldig. De gedepolitiseerde wereld zonder “vijand” waarvan het vrije westen na de val van de Berlijnse muur droomde, is een gevaarlijke fictie. Maar in tegenstelling tot Schmitt achten wij een conflictuele wereldorde, gebaseerd op respect voor de universele mensenrechten, zeer goed mogelijk, meer zelfs, het is voor ons de weg naar een vredevolle wereld.

Ons derde boek is “Oorlog en vrede” (1869) van Lev Tolstoj, uitgegeven in de onvolprezen “Russische bibliotheek” van de kleine Nederlandse uitgeverij Van Oorschot. Het gaat over Napoleons invasie van Rusland, één van de meest rampzalige oorlogen uit de geschiedenis vóór de eerste wereldoorlog. Napoleon trok met 600.000 manschappen Rusland binnen in juni 1812 en keerde zes maanden later met 120.000 soldaten terug. Aan Russische zijde vielen er evenveel dode soldaten en een onmetelijk aantal burgerslachtoffers. Voor Tolstoj was de oorlog tussen keizer Napoleon en tsaar Alexander er één tussen ideologische erfenis van de Franse revolutie, de Verlichting dus, en de boerenstand, geleid door de lagere adel die trouw bleef aan de traditionele Russische waarden.

Tegenover de Franse oorlogsdaden staat voor Tolstoj het vredesverlangen van moedertje Rusland. Anna Pawlowna, één van de hoofdfiguren van het boek zegt op één van de eerste bladzijden onomwonden: “Rusland alleen moet Europa redden” (pag. 6). En Tolstoj behoort tot de culturele beweging die in Rusland op gang kwam na de Franse inval en die de ganse 19e eeuw zijn invloed liet gelden. En het moet gezegd, die “Russische ziel”, dat is iets raars. Johan De Boose noemde het op de voorstelling van zijn nieuwe boek Yevgeni waaruit de auteur op het feest van het boek op 1 mei komt voorlezen in het Uilekot, het onderbewuste van Europa. En ook voor mij behoren de romans van Gogol, Dostojevski, Toergenjev en Tolstoj behoren tot het beste wat de Europese romankunst voortgebracht heeft.

Als Tolstoj de Russische boerenstand in Oorlog en Vrede bewierookt, had hij ook zijn eigen ervaringen in het achterhoofd. Geïnspireerd door liberale hervormers had hij rond 1855 de lijfeigenen op zijn domein voorgesteld om hen te bevrijden van hun verplichtingen zodat zij als vrije boeren het land zouden kunnen bewerken. Zijn lijfeigenen vertrouwden het niet en sloegen zijn aanbod af. In plaats dat Tolstoj zich verraden voelde door de boeren, keerde hij zich tegen de liberale vrijheidsidee en sloot hij zich aan bij de slavofielen. Deze laatsten  geloofden dat de liberalen Rusland wilden vernietigen door buitenlandse ideeën als vrijheid en gelijkheid die vreemd waren aan de traditionele Russische waarden, in te voeren.

Zijn christelijk anarchistische ideeën die eind 19e eeuw een invloed hadden op het intellectuele leven in Europa die wij ons nu nog moeilijk kunnen voorstellen, werkte Tolstoj pas later uit, maar elementen zijn reeds voelbaar in het boek. Neem nu de manier waarop hij veldmaarschalk Koetoezow, de excentrieke leider van het Russische leger, beschrijft. De hogere adel had hem op zijspoor gezet en benoemd tot gouverneur van Kiev, een onbelangrijke post in die tijd. Maar de gewone Rus wilde hem terug, en de historicus Adam Zamoyiski citeert in zijn boek “1812” een brief die de sfeer in die tijd goed weergeeft: “Iedereen is het erover eens, iedereen zegt hetzelfde: verbolgen vrouwen, oude mannen, kinderen, in één woord, alle rangen, standen en leeftijden zien in hem de redder van het vaderland” (pag. 228). Maar aan het hoofd van het Russisch leger vecht Koetoezow in het boek van Tolstoj nauwelijks.

Wat hij vooral deed was zijn jonge, voortvarende generaals die heldhaftig wilden zijn en keer op keer de strijd met Napoleon wilden aangaan, tegenhouden. Hij vermeed de strijd en trok zich steeds dieper het Russische binnenland in. Tolstojs boodschap is dat een goede generaal niet vecht, maar sluw is en de macht van zijn leger alleen gebruikt als het overleven van Rusland op het spel staat. De patriottische boeren die verzet pleegden, wonnen volgens Tolstoj de oorlog voor Rusland. Eén van de hoofdfiguren van “Oorlog en Vrede” is de partizanenleider Denisov die het regimentsuniform verruilde voor de boerenkiel om met zijn 3.000 ruiters het vijandelijke leger te bestoken. De huidige historici ontkennen de politieke inspiratie van de Russische guerilla. Hoe knap het boek ook is, Tolstojs beeld over oorlog blijft voor de 21e eeuwse lezer al te romantisch, al te mythisch. 

Napoleons fatale veldtocht naar Rusland leert ons nog een ander aspect van de Verlichting: het overschatten van de macht van de Rede over de natuur. De tsaar zei voor de inval in zijn land aan een gezant van Napoleon: “Als het lot zich op het slagveld tegen mij keert, zal ik mij terugtrekken… De Fransman is dapper, maar langdurige ontberingen.. putten hem uit en ontmoedigen hem. Ons klimaat, onze winter zal voor ons vechten” (Zamoyiski, pag. 87).

Napoleon deed dit als bluf af, maar toen de zich steeds verder terugtrekkende Koetoezow de Fransen de vroegere oude hoofdstad Moskou in de schoot wierp, mispakte het Franse genie zich aan de Russische winter. Hij trok zich eind oktober veel te laat terug uit de rijke stad. De vroege winter overviel zijn troepen en de terugtocht moet verschrikkelijk geweest zijn. De Franse soldaten hadden onvoldoende voorzorgsmaatregelen genomen tegen de extreme koude en bij temperaturen tot - 35° Celcius moesten zij eind november honderden kilometer te voet verder trekken quasi zonder voedsel.

Zamoyiski citeert verhalen van hongerige soldaten zonder rantsoenen die zich op een letterlijk door de kou gevelde makker storten, hem in stukken sneden en de bloedige flarden vlees opslokten. En na de rampzalige uitkomst van de Russische veldtocht was de macht van Napoleon ook gebroken.

Tot besluit vatten wij een aantal gedachten samen. Tolstoj toont ons hoe de verlichtingsidealen waarvoor Napoleon symbool stond, in hun tegendeel kunnen omslaan, een boodschap die ook Adorno en Horkheimer brengen.

Het is voor ons allerminst een reden om de Verlichting vaarwel te zeggen, en wij zien in Poetin evenmin de redder van de mensheid tegen de expansiedrang van het neoliberale Europa. Het belang van de Rede kan niet overschat worden in een tijd die teruggrijpt naar mythes. De vraag is alleen hoe wij eventuele uitwassen kunnen vermijden. Met Schmitt pleiten wij voor meer conflict, maar wij situeren het conflict niet binnen de natiestaat. Het belangrijkste conflict is voor ons dat tussen arbeid en kapitaal, en wij thematiseren dit vanuit een conflictuele wereldorde, gebaseerd op universele mensenrechten. Zal het volstaan om oorlog te vermijden en vrede te verzekeren? Of hebben wij meer “helden van de terugtocht” nodig? Hans Magnus Enzensberger pleitte hiervoor in zijn boek “Lof van de inconsequentie” (1990).

De “grote politiek” heeft “tot op de dag van vandaag even verbeten als hulpeloos vastgehouden aan het klassiek heldenschema. Ze afficheert nog steeds de overwinnaar en droomt van onbereikbare triomfen”. Hij pleit voor een nieuw soort politici “die niet de overwinning, de verovering, de triomf, maar het afstand doen, de afbraak, de demontage representeren. Wij hebben alle reden om ons met die specialisten van de negatie bezig te houden; want op hen is ons continent aangewezen als het wil overleven” (pag. 221-222), zo stelt Enzensberger.

Met deze gedachten hopen wij het thema van Lezen in de Lente 2014 en het maatschappelijk debat te stimuleren en zo onze steen bij te dragen tot een meer vredevolle wereld.

Lieven Plouvier  

Tags: